Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AP4332

Datum uitspraak2004-06-23
Datum gepubliceerd2004-06-30
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers03/02641
Statusgepubliceerd


Indicatie

Het voor het nemen van een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 27 Wet WOZ vereiste nieuwe feit ontbreekt. Verweerder heeft naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat het voor belanghebbende bij ontvangst van de primaire WOZ-beschikking redelijkerwijs kenbaar was dat bij de totstandkoming daarvan een fout (schrijf-, reken-, overname, of intoetsfout) was gemaakt. De herzieningsbeschikking kan derhalve niet in stand blijven.


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Zestiende Enkelvoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van het Hoofd bureau Belastingen en invordering van de gemeente te P, verweerder. 1. Loop van het geding 1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 16 juni 2003. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, met dagtekening 20 mei 2003 en verzonden op 22 mei 2003, betreffende de op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet woz) genomen beschikking (hierna ook: de herzieningsbeschikking) waarbij de waarde welke met inachtneming van artikel 17, tweede lid, van de Wet woz op 1 januari 1999 aan de onroerende zaak a-straat 1 te B moet worden toegekend (hierna: de woz-waarde) voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 is vastgesteld op € 122.520. 1.2. Na bezwaar tegen de bij de herzieningsbeschikking vastgestelde waarde is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. 1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en van de herzieningsbeschikking. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, waarin hij concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak. 1.4. Partijen hebben het Hof schriftelijk verzocht zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen. Het Hof heeft partijen geïnformeerd hiermee in te stemmen en het onderzoek ter zitting met toepassing van het bepaalde artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) achterwege gelaten. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak a-straat 1, 2101 SR, te B (hierna: de woning). De woning betreft een serviceappartement dat zich bevindt in een woontoren, welke deel uitmaakt van een complex van vier woontorens met de naam “C”. Ingevolge de notariële akte tot levering van de woning d.d. 1 december 1999 bedroeg de koopprijs van het registergoed ? 174.000 (€ 78.958) en bedroeg de prijs voor het lidmaatschap van de vereniging van eigenaars (omvattende één/hondertwintigste aandeel in het onverdeeld gemeenschappelijk bezit van de vereniging) ? 61.000 (€ 27.680). 2.2. Bij een op naam van belanghebbende gestelde beschikking van 23 februari 2001 heeft verweerder de woz-waarde van de woning vastgesteld op € 81.680. 2.3. In een brief van verweerder gericht aan belanghebbende, met dagtekening 26 augustus 2002, staat onder meer het volgende vermeld: “Uit onderzoek is gebleken dat de waarde abusievelijk te laag is vastgesteld. Zoals u waarschijnlijk al heeft opgemerkt is de waarde lager vastgesteld dan die per prijspeildatum 1 januari 1995. De vastgestelde waarde naar het prijsniveau op 1 januari 1995 bedroeg namelijk € 94.840,= (fl.209.000,=). De taxateur heeft de waarde van uw woning opnieuw bepaald. Op grond van artikel 27 Wet WOZ is die waarde bij herzieningsbeschikking vastgesteld.” 2.4. De woz-waarde van de woning is bij de herzieningsbeschikking, met dagtekening 31 augustus 2002, vastgesteld op € 122.520. Deze waardering is tot stand gekomen door vergelijking met de te B gelegen objecten b-straat 1 en 2 alsmede a-straat 2. 3. Geschil Tussen partijen is in geschil of de herzieningsbeschikking in stand kan blijven. 4. Standpunten van partijen Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken. 5. Beoordeling van het geschil 5.1. Verweerder stelt dat de bij beschikking van 23 februari 2001 (hierna ook: de primaire beschikking) vastgestelde waarde bij vergissing te laag is vastgesteld. Bij een controle op de waardevaststelling die geschiedde vóórdat de primaire beschikking werd verzonden, bleek dat 25 appartementen van het complex “C”, waaronder de woning, te laag waren getaxeerd. Besloten werd dat de (concept)beschikkingen ter zake van deze 25 appartementen niet zouden worden verzonden en dat verbeterde beschikkingen zouden worden vastgesteld en verzonden naar de volgens verweerder juiste waarden. Bij de afhandeling van bezwaarschriften bleek volgens verweerder dat van de genoemde 25 appartementen toch bij acht appartementen, waaronder de woning, per abuis een beschikking was vastgesteld en verzonden naar de volgens verweerder te lage waarde. Verweerder stelt dat hij op grond van artikel 27 van de Wet woz de mogelijkheid heeft deze waarde te herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking, omdat er sprake is van een met een schrijf- of tikfout gelijk te stellen vergissing en deze vergissing voor belanghebbende bij ontvangst van de beschikking aanstonds kenbaar moet zijn geweest, omdat de vastgestelde waarde veel te laag was en ook lager dan de vastgestelde woz-waarde voor het eerdere woz-tijdvak, met als waardepeildatum 1 januari 1995, welke € 94.840 bedroeg. De laatstgenoemde waarde diende als grondslag voor de aan belanghebbende opgelegde aanslag onroerendezakenbelastingen 2000, waartegen belanghebbende destijds geen bezwaar heeft gemaakt, aldus verweerder. 5.2. Belanghebbende heeft het standpunt van verweerder betwist. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen grond is voor herziening van de bij de primaire beschikking vastgestelde waarde, omdat er bij het vaststellen van deze beschikking geen feiten waren die verweerder niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend hadden kunnen zijn. Er is volgens belanghebbende geen sprake van een kenbare fout, nu zij de woning op 1 december 1999 heeft gekocht voor een bedrag van € 78.958 en dit bedrag nauwelijks afwijkt van de bij de primaire beschikking van 23 februari 2001 vastgestelde woz-waarde van € 81.680. De waardebeschikking van de woning voor het eerdere woz-tijdvak, met waardepeildatum 1 januari 1995, heeft zij nooit onder ogen gehad, aldus belanghebbende. 5.3. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Wet Woz kan de gemeenteambtenaar een vastgestelde beschikking herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de waarde te laag is vastgesteld. Een feit dat de gemeenteambtenaar bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening opleveren. In de memorie van toelichting bij de Wet van 15 december 1994, Stb. 874, houdende algemene regels inzake de waardering van onroerende zaken (Kamerstukken II 1992/93, 26 885, nr. 3, blz. 20) is vermeld: “Voor een dergelijke herziening wordt dezelfde eis gesteld als voor het opleggen van een navorderingsaanslag in art. 16, eerste lid, AWR, namelijk het aanwezig zijn van een (nieuw) feit. Dat wil zeggen dat een feit dat aan het college van burgemeester en wethouders bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond voor herziening kan opleveren. Voor het antwoord op de vraag of een herziening van de aanvankelijk op een te laag bedrag vastgestelde waarde geoorloofd is, is het college van burgemeester en wethouders gebonden aan dezelfde normen als die in het fiscale recht gelden ten aanzien van de mogelijkheid tot navorderen op grond van art. 16, eerste lid, AWR. De aldaar gevormde jurisprudentie, met inbegrip van de daarin aangebrachte verzachting van de vereisten voor navordering als sprake is van een voor de belanghebbende kenbare schrijf- of tikfout, dan wel een daarmee gelijk te stellen fout, is van overeenkomstige toepassing op de herziening van de waardevaststellingsbeschikking. Een herziening van de beschikking zal derhalve uitsluitend plaats kunnen vinden in geval van een duidelijk voor belanghebbende kenbare fout in de beschikking, zodat hij daaraan niet het vertrouwen kan ontlenen dat het college van burgemeester en wethouders hebben willen beslissen als uit de beslissing te lezen is, dan wel indien het college achteraf de beschikking krijgt over een gegeven dat het tijdens het nemen van de beschikking redelijkerwijs niet behoefde te kennen.” 5.4. Vaststaat dat verweerder ten tijde van de vaststelling van de primaire beschikking bekend was met de omstandigheid dat bij de daaraan voorafgegane taxatie was uitgegaan van volgens verweerder onjuiste vergelijkingsobjecten en dat toch de primaire beschikking is vastgesteld naar de uit die taxatie voortvloeiende, volgens verweerder te lage woz-waarde. Een dergelijke omstandigheid kan niet worden aangemerkt als een feit waarmee verweerder bij het nemen van die beschikking niet bekend was, voorzover verweerder dat al bedoelt te stellen. Op deze grond wordt derhalve niet voldaan aan het voor het nemen van een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 27 van de Wet woz vereiste nieuwe feit. 5.5. Indien echter de primaire beschikking te laag is vastgesteld niet als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van verweerder in de feiten die bepalend zijn voor vaststelling van de woz-waarde of van een onjuist inzicht van verweerder in het recht, maar als gevolg van een vergissing die heeft geleid tot een discrepantie tussen wat verweerder wilde en wat in de primaire beschikking is vastgelegd, zoals een schrijf-, reken-, overname-, of intoetsfout, en het voor belanghebbende redelijkerwijs kenbaar was dat bij de totstandkoming van de primaire beschikking een fout was gemaakt, is het overeenkomstig de hoofdregel van artikel 27, eerste lid, van de Wet woz wel toegestaan om een herzieningsbeschikking vast te stellen (vergelijk HR 8 augustus 2003, nr. 37.570, BNB 2003/345). Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in casu sprake is van een dergelijke kenbare fout. 5.6. Nog daargelaten of sprake is geweest van een fout in de hiervoor bedoelde zin, is het Hof van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor belanghebbende bij ontvangst van de primaire beschikking redelijkerwijs kenbaar was dat bij de totstandkoming van die beschikking een fout was gemaakt. Vaststaat immers dat belanghebbende op 1 december 1999 eigenaar van de woning is geworden voor een koopprijs van (exclusief de betaalde prijs voor het lidmaatschapsrecht) € 78.958, welke prijs vrijwel gelijk is aan de bij de primaire beschikking vastgestelde woz-waarde per 1 januari 1999. Het Hof verwerpt de stelling van verweerder dat belanghebbende had moeten begrijpen dat de door haar betaalde koopprijs voor de woning - onder andere gelet op de voor de woning geldende leeftijdsgrens, ballotage, het entreegeld en de hoge servicekosten - in zodanige mate niet de vrije verkoopwaarde van de woning vertegenwoordigde dat op die grond bij ontvangst van de op € 81.680 vastgestelde primaire beschikking voor haar redelijkerwijs kenbaar was dat de totstandkoming daarvan op een fout berustte. Verweerder heeft deze stelling niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt, gelet op de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, dat belanghebbende ten tijde van de ontvangst van de primaire beschikking bekend was met de naar de waardepeildatum 1 januari 1995 vastgestelde woz-waarde van de woning, nog daargelaten de vraag of de enkele bekendheid van belanghebbende met deze per 1 januari 1995 vastgestelde waarde van € 94.840 tot gevolg zou hebben gehad - nu zij zelf de woning per 1 december 1999 heeft gekocht voor een prijs van € 78.958 - dat daarmee redelijkerwijs voor haar kenbaar was dat bij de totstandkoming van de primaire beschikking een fout was gemaakt. De enkele stelling van verweerder dat belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2000 heeft ontvangen die was gebaseerd op de per 1 januari 1995 vastgestelde waarde van de woning van € 94.840 en dat belanghebbende daartegen geen bezwaar heeft aangetekend, doet evenmin aan het voorgaande af, nog afgezien van de omstandigheid dat verweerder niet heeft gesteld noch anderszins is komen vast te staan op welk tijdstip belanghebbende de bedoelde aanslag heeft ontvangen. Gelet op het hiervoor overwogene acht het Hof het niet aannemelijk gemaakt dat het voor belanghebbende bij ontvangst van de primaire beschikking redelijkerwijs kenbaar was dat sprake was van een discrepantie tussen hetgeen verweerder wilde en hetgeen in de primaire beschikking is vastgesteld. Ook hetgeen verweerder hierover overigens nog heeft gesteld, doet aan deze conclusie niet af. 5.7. Gezien het vorenoverwogene is het gelijk aan belanghebbende en dienen de uitspraak op bezwaar en de herzieningsbeschikking te worden vernietigd. 6. Proceskosten Nu de uitspraak van verweerder en de herzieningsbeschikking niet in stand blijven, acht het Hof in beginsel termen aanwezig verweerder te veroordelen tot vergoeding aan belanghebbende van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Nu echter gesteld is noch aannemelijk is geworden dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, blijft een veroordeling van verweerder in deze kosten achterwege. 7. Beslissing Het Hof - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak van verweerder; - vernietigt de herzieningsbeschikking; en - gelast de gemeente te P het door belanghebbende betaalde griffierecht ad € 31 aan belanghebbende te vergoeden. Aldus vastgesteld op 23 juni 2004 door mr. Kostense, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Jonk als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief). 2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd. 3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a) de naam en het adres van de indiener; b) de dagtekening; c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d) de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.